Het kabinet wil het bijzondere buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) aanpassen aan de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) en de Raad van State. Een amv is een jongere onder de 18 jaar die zonder ouders of wettelijke voogd naar Nederland is gevlucht. Aan amv’s van wie de asielaanvraag is afgewezen, kan een reguliere verblijfsvergunning worden verleend als de jongere buiten zijn of haar schuld Nederland niet kan verlaten. Nederland maakt daarbij onderscheid tussen amv’s jonger en ouder dan vijftien jaar.
Op basis van jurisprudentie van het Hof mogen lidstaten amv’s van wie de asielaanvraag is afgewezen alleen uitzetten als de amv wordt teruggestuurd naar familie, of als er in het land waarnaar de amv wordt uitgezet adequate opvang is. Ook moet er in alle fases van het terugkeerproces rekening worden gehouden met het belang van het kind.
In dit advies constateren we dat het kabinet enkele waarborgen uit de Terugkeerrichtlijn voor amv’s onvoldoende implementeert in de Nederlandse regelgeving:
- Er wordt geen toetsingskader ingericht om het belang van het kind te wegen.
- Er wordt feitelijk nog steeds een door de Terugkeerrichtlijn verboden onderscheid naar leeftijd gemaakt, onder andere doordat (uitsluitend) amv’s die vóór hun vijftiende een buitenschuldvergunning hebben gekregen, in aanmerking komen voor voortgezet verblijf.
- Er wordt onvoldoende ruimte gelaten voor een individuele beoordeling van de vraag of er sprake is van adequate opvang.
- Door ook na vergunningverlening te blijven toetsen of er adequate opvang beschikbaar is, wordt een permanente onzekerheid over het verblijfsrecht in Nederland gecreëerd. Dat is in strijd met de doelstelling van het nieuwe beleid om amv’s eerder en duurzaam duidelijkheid te bieden over hun verblijfsrecht en bovendien niet in het belang van het kind.
In dit advies doen we een aantal aanbevelingen om de waarborgen voor amv’s uit de Terugkeerrichtlijn alsnog goed te implementeren.
Beeld: © Matthias Zomer